De feestelijke muziek die wij voor ons eerste jubileumconcert hebben uitgekozen heeft als overkoepelend thema: Gloria. Inderdaad, Toonkunst in de Gloria. Als 175-jarige mag dat wel eens.Uit de rijke muziekhistorie kozen wij enkele aansprekende werken, niet al te bekend maar toch gemakkelijk te verteren, waarmee we goed ons vokaal kunnen kunnen laten horen. De beschrijvingen hieronder brengen ongetwijfeld ons enthousiasme op u over. Daarom: na het lezen snel kaarten bestellen door het formulier in te vullen!
Een kenmerkend aspect van de koormuziek van Poulenc zijn de korte zinnen van 1 of 2 maten. Lange ononderbroken lijnen zijn uitzonderlijk. De harmonie is vaak conventioneel maar wordt ook gekenmerkt door close-harmony. En dan is er een klein aantal typerende Poulenc-akkoorden waar je de componist feilloos aan herkent. Door dit alles ontstaat een klinkend mozaiek van gekleurde steentjes.
Er is veel geschreven over de Strawinsky-invloeden in het Gloria. De motorische stijl, het gebruik van het ostinato, de grote aandacht voor articulatie en het gebruik van neo-klassieke (in feite meestal neo-barokke stijlelementen) zijn overeenkomsten. Maar vergeleken met de antiromantische, 'kale' en soms bovenpersoonlijke genoemde stijl van de Stravinsky van de Mass en de Symphonie des Psaumes is Poulenc een veel sensuelere componist. Niet voor niets noemde hij zichzelf met enige zelfspot 'le petit maitre erotique'. Ook het gebruik van triviale melodietjes die als 'ready-made' soms zo van de straat of een caféterras lijken te zijn geplukt geeft de muziek van het Gloria een aanstekelijke vrolijkheid die sterk contrasteert met de soevereine ernst van Stravinsky. Er is ooit geschreven: in de geest van Poulenc huizen twee zielen, die van een schelm en van een monnik. Beide aspecten zijn in het Gloria te horen.
De bewering van Poulenc dat zijn Gloria is geïnspireerd op de engeltjes van Gozzoli die hun tong uitsteken is, zo blijkt uit een onderzoek dat Aad de Hoop voor ons deed, kunsthistorisch gezien moeilijk vol te houden. Maar ook als Poulenc slordig naar Gozzoli heeft gekeken is het beeld van die engeltjes een ideale typering van uitdagende sfeer van de delen 2 en 4.
Het Gloria begint met een langzame orkestrale inleiding in Franse ouverture-stijl met kenmerkende scherp gepunkteerde ritmes. Het aansluitende snelle koordeel heeft de kenmerkende mozaïekstijl van korte een- of tweematige zinnetjes in steeds wisselende volgorde. De ' verkeerde' tekstplaatsing (Glo-ri-a in ex-cel-sis De-o) is mede oorzaak van het karakter dat Poulenc vraagt: gai (vrolijk). Het ostinato van de orkestrale baslijn doet aan Strawinsky denken.
Het is moeilijk in dit aanstekelijke deel met zijn oem-pa-oem-pa-ritmes de voeten stil te houden. In de korte inleiding wordt door de koperblazers de sfeer van bijna baldadige luidruchtigheid gezet. Bij het koor vallen de tekstaccenten even vaak op de 'goede' als op de 'verkeerde' plaats:
Ik geloof dat men dit niet moet zien als 'choquer le bourgeois'door het overtreden van regels maar als speelse en ongebonden levensvreugde.
Een kort langzaam middendeel is ernstig van karakter. Het onbegeleide Gratias agimus tibi van de alten wordt gevolgd door prachtige strijkersakkoorden.
Een langzaam deel met een voor de ernstige Poulenc kenmerkende karakteraanduiding: Très lent et calme. De solo-sopraan en het koor zingen in beurtzang. Het slotakkoord heeft de septiem van de lichte muziek.
Een uitbundig rondo voor koor en orkest met een droge klap als plat slot.
In dit langzame deel schrijft Poulenc voor het eerst lange lijnen. De orkestrale inleiding heeft een klassieke achtmatige zinsbouw. Er zijn twee belangrijke thema's: het een octaaf omspannende thema van de sopraan uit de orkestrale inleiding (Domine Deus) en een tweede thema dat het koor introduceert bij Qui tollis.
Het laatste deel kan men in drie secties beluisteren: een langzame proloog, een snel middendeel en een langzame epiloog. De eerste sectie (I) bestaat uit drie a capella gezongen koorstrofes die orkestraal worden afgesloten (Maestoso). Merk de schrijnende dissonant op in het orkest na het miserere nobis. Dan volgt het snelle middendeel (II)op een lekker lopende bas. Het orkestrale tussenzinnetje van een maat dat steeds opduikt is het Franse-ouverture-thema waar het Gloria mee begon. Met het Amen van de solo-sopraan begint de epiloog (III). Na alle motorische heftigheid is de sereniteit van dit slot met zijn lange lijnen overweldigend. Poulenc vraagt bij zijn tempoaanwijzing om Extraordinairement calme en verzoekt op zeker moment de koorklank tot een bijna onhoorbaar niveau terug te nemen: Le choeur doit être un murmure presque imperceptible.
Giacomo Puccini vormde de vierde
generatie uit een geslacht van maestri di capella aan de kathedraal
te Lucca (Toscane). Als jongenssopraan in de San Martinokerk werd
het religieuze repertoire hem met de paplepel ingegoten. Op zijn
16e jaar won hij een orgelprijs aan de Academia van Lucca. Hij
begon zijn Messa op achttienjarige leeftijd in 1876. Bij zijn
afstuderen aan de Academia in 1880 werd de Messa voor het eerst
uitgevoerd ter gelegenheid van San Paulino. Hoewel de uitvoering
een groot succes was, was het meteen de laatste. Puccini richtte
zich op het componeren van opera´s zoals in Italië
in die tijd gebruikelijk was. De Messa werd gedurende Puccini´s
leven niet gepubliceerd en niet meer uitgevoerd.
Het manuscript bleef verborgen tot 1951, toen Puccini´s
biograaf, de Amerikaanse pater Dante del Fiorentino, erop gewezen
werd door Puccini´s secretaris. Dante herkende dit als meesterwerk
en zette zich aan een uitgave, die als Messa di Gloria verscheen
in de USA. In 1952 werd het werk uitgevoerd in Chicago en ontving
een vergelijkbaar enthousiast onthaal als bij de première.
Toen pas bleek dat de componist tijdens zijn leven zijn Messa
niet vergeten was. Sommige thema´s herkennen wij uit zijn
latere opera´s: het Agnus Dei in Manon Lescaut en het Kyrie
in zijn onbekende opera Edgar.
De Messa is geschreven voor groot koor en orkest en solisten. Puccini hanteert traditionele technieken als fuga en contrapunt en mengt die met melodische inventiviteit tot ware hoogtepunten. Net zoals bij Verdi is de tekst die van de onwrikbare Latijnse mis, maar de effecten zijn dramatisch en het doel is emotie. We kunnen genieten van ogenblikken van uiterste schoonheid in Qui tollis peccata mundi en emotie in Et incarnatus est in het Credo. Dramatiek horen we in het koor Et resurrexit. Soms zingt het koor een messcherp unisono, dan weer weven meerstemmige partijen uit koor en orkest samen complexe klankweefsels zoals in het Domine Deus rex coelestis.
Het uitbundige Gloria neemt het overgrote deel van de duur van het werk in beslag en aan dit gegeven dankt de mis sinds haar herontdekking dan ook haar naam 'Messa di Gloria'.
De componeerstijl is in vergelijking met de latere werken van Puccini nog zeer traditioneel, hoewel hier en daar de toekomstige operacomponist al van zich laat spreken. Indrukwekkend is de koorfuga Cum sancto spiritu waar het Gloria mee afsluit.
Daarmee is dit jeugdwerk van Puccini meer dan alleen een vingeroefening van een jong compositietalent. Het is een op zichzelf staand meesterwerk dat de luisteraar raakt en emotioneert.
Meer informatie over Puccini
Het Kyrie is prachtig mild van toon met lyrische hoge vioolpartijen. Er is een sterke thematische eenheid door het voortdurend polyfone gebruik van een kort lyrisch motief. Puccini gebruikt de traditionele driedelige vorm: Orkestrale inleiding-Kyrie eleison-Christe eleison-Kyrie eleison-Coda. Typerend voor de late romantiek is het korte coda dat de essentie nog eenmaal samenvat en in expressiviteit de apotheose van het hele deel vormt.
Een uitbundig deel met een coupletachtige vorm. De trompetten met hun triolen articuleren de vorm en blijven aan het eind van het korte deel prominent aanwezig.
Een homofoon gedeelte in de vorm van een dialoog tussen hoog (sopranen) en laag (alten, tenoren, bassen).
Een gepassioneerd Laudaumus en Glorificamus met daartussen een contrasterend lyrisch Adoramus bepalen de bondige en helder driedelige vorm, waarin een kort codetta met mooie klarinetomspelingen van het hoofdthema de afsluiting vormt.
Een typerende laat-romantische Italiaanse tenor-aria in een pathetische 12/8 maat.
Nog één keer het Gloria met zijn feestelijke trompetten.
Het koor met een haast gepreveld gebed in de hoofdrol, maar muzikaal in feite de begeleider van het orkest dat door de heerlijke melodie van de tenor-aria onze aandacht naar zich toetrekt.
De tekstbehandeling van het Qui tollis peccata mundi (Hij die de zonden der wereld wegneemt) zal een ieder die Bach's zetting uit de Hohe Messe als referentie heeft bevreemden. Puccini laat hier het volle leven van het Italiaanse belcanto triomferen op de eisen van de kerkmuziek.
Een majesteitelijk mengklank van trombones, hoorns en fagotten bepaalt et karakter van dit deel voor koor en blazers. Trompetsignalen kondigen als herauten de komst van de grootse fuga.
Puccini beheerst de fugatechniek volledig en heeft nog een verrassing voor ons in petto. Het fugathema blijkt combineerbaar met het eerder Gloriathema uit de eerdere delen I en V. Even ziet het er naar uit dat er een heuse dubbelfuga gaat komen (een fuga op twee gelijktijdige thema's), maar Puccini ziet daar na een eerste opzet van af en stuwt de muziek naar een grandioze afsluitende climax.
Alleen vanuit een Calvinistische Bachtraditie is de gulle Italiaanse operamelodie van het Credo verbazend. Puccini is hier vooral zichzelf.
Een sober deel waarin de tenorsolist begeleid wordt door het koor dat overwegend a capella zingt.
Een bewogen basaria waarin de solostem colla parte wordt ingekleurd door fagot, celli en later ook de contrabassen.
Merkwaardig dat Puccini voor het Et ressurrexit (de opstanding van Christus) en het et iterum venturus est (Zijn terugkeer) de mineurtoonsoort koos. De muziek klinkt niet daardoor bepaald niet stralend. Maar misschien wilde Puccini bij die tekstgedeelten al met een latente muzikale dreiging toewerken naar het latere moment van het Laatste Oordeel (judicare vivos et mortuos)
Puccini grijpt hier terug op de muziek van het eerste Credo-deel I met z'n triolenritmiek.
Muzikale symboliek uit de tijd van Monteverdi: eenstemmigheid van het koor voor die ene katholieke kerk. De trompetten kondigen het Et vitam venturi aan
Een korte orkestrale overgang leidt naar de tekst die verwijst naar het toekomstige eeuwige leven. Het wordt in drie zinnen gezongen (piano: vrouwenkoor, mannenkoor en fortissimo: allen) met een afsluitend amen.
Puccini behandelt het Sanctus muzikaal met een haast aforistische kortheid. Van het sober geïnstrumenteerde Benedictus voor bariton-solo is het korte Hosanna voor koor de afronding.
Ook het Agnus Dei is uiterst eenvoudig van muzikaal concept en zeer spaarzaam geïnstrumenteerd. Na het traditionele drievoudige Agnus Dei (tenor - bas - tenor&bas) met het koorrefrein Miserere nobis volgt het Dona nobis pacem voor de solisten met het afsluitende Dona pacem voor het koor.
Daan Admiraal
(terug)Francis Poulenc schreef na zijn onbegeleide Messe (1937) een groot aantal composities voor koor a capella die behoren tot de hoogtepunten van de 20e eeuwse koorliteratuur. Zijn Quatre Motets pour un Temps de Pénitence (1938/39) zijn gebaseerd op teksten die traditioneel thuishoren in de getijdengebeden van de Goede Week voor Pasen. Het zijn compilaties en parafrases van bijbelteksten die in de Middeleeuwen zijn ontstaan. Ze komen als eenstemmige gezangen voor in het gregoriaanse repertoire, maar zijn ook allemaal meerstemmig gezet in de 16e eeuw door de grote meesters uit de renaissance. Zo is van Orlando di Lasso een motet Timor et tremor (1564) in sterk chromatische stijl bekend, terwijl er van Timor et tremor ook zettingen zijn van Tallis, Gabrieli en Praetorius.
De stijl van Poulenc is zeer vocaal en melodisch: de kleine intervallen overheersen. In de meerstemmigheid zijn polyfonie en imitatie een uitzondering. Dat komt mede doordat Poulenc's idioom sterk wordt bepaald door de harmonie: opeenvolgende akkoorden bepalen in hoge mate de meerstemmigheid die daardoor overwegend homofoon is. Dat betekent tevens een grote verstaanbaarheid omdat alle stemmen hun teksten tegelijk zingen.
De tekstplaatsing wordt bij Poulenc gekenmerkt door een speelse vrijheid. Soms vallen de accenten van de tekst volledig samen met de maataccenten zoals in het eerste motet ti-mor et tre-mor. In het tweede motet is het overwegend net andersom: waar wij vi-ne-a me-a e-lec-ta verwachten schrijft Poulenc vi-ne-a me-a e-lec-ta. Nu zijn er twee mogelijkheden om tot deze incongruenties op te lossen. We kunnen net als bij renaissance-muziek de maatstreep slechts als een administratieve eenheid zien waar tekst en melodie in volledige vrijheid doorheen slalommen. Maar ook dan blijven er plekken over waar correcte tekstaccenten gekunsteld aandoen, vooral als we de korte noot gaan betonen en de lange onbetoond zingen. Een tweede mogelijke probleemoplosser, het zingen volgens de in de accentuering afwijkende Franse uitspraak van het Latijn, biedt geen oplossing. Want terwijl het zojuist besproken e-lec-ta dan aan de regels voldoet ontstaat er meteen nieuwe problemen zoals in het eerste motet, waar de uitspraak verandert in ti-mor et tre-mor.
De conclusie moet luiden dat Poulenc de muzikale lengte-variabelen lang&kort, de metrische variabelen zwaar&licht en de tekst- variabelen arsis&thesis niet onder een noemer brengt, waardoor voortdurend die speelse dubbelzinnigheid ontstaat. Ik zal daar bij het Gloria op terugkomen.
In het eerste motet wordt God vanuit het duister van de menselijke
kwetsbaarheid om erbarmen gesmeekt: Schrik en angst komen over
mij en duisternis overvalt mij.
Het is de enige tekst die niet afkomstig is uit een responsorium.
De zetting van Poulenc is zeer dramatisch, maar toch melodisch
zeer eenvoudig. Het donkere affect in de tekst wordt uitgedrukt
in a- en e-mineur, met zeer expressieve dissonante akkoorden bij
het tweede miserere mei en het Domine invocavi te. In twee A-majeur
gedeelten worden de hoopvolle verwachting uitgedrukt (in te confidit
anima mea en non confundar).
In dit motet stelt Christus de verwijtende vraag waarom hij
gekruisigd zal worden en Barrabas wordt vrijgesteld. Nu zijn de
woorden van Christus tot de wijngaard gericht (O mijn uitverkoren
wijngaard, ik heb u geplant) en dat heeft een nadere uitleg nodig.
De bekende tekst van Jezus uit het Nieuwe Testament (Johannes
15: 1) Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijngaardenier
(Ego sum vitis vera et Pater meus agricola est) kunnen we buiten
beschouwing laten. Daarin is namelijk Christus de wijnstok (vitis)
en het is logisch dat dan de wijngaardenier (God de Vader) de
planter was. Maar hier heeft de Zoon zelf de wijngaard (vinea)
geplant.
Nu is in het Oude Testament de wijngaard soms een metafoor
voor het volk Israel, zoals in de meest expliciete vermelding:
Israël is een weelderige wijnstok, die ook weelderige vruchten
draagt (Hosea 10: 1). Ook in Jesaja 5: 7 (Het lied van de wijngaard)
lezen we: Ja, de wijngaard van Jahwe van de machten is Israels
huis. Aan Jesaja 5 is het beeld van de omheining en de wachttoren
ontleend.
Nu draagt de wijngaard waar hier sprake van is geen weelderige
vruchten, maar er wordt gesproken over bitterheid (amaritudo),
een verwijzing naar Deuteronomium 32: 32, waarin over de wijngaarden
van Gomorra wordt gezegd: zij dragen bittere trossen. Dat is veroorzaakt
door afvalligheid.
Waarom de onbekende samensteller van deze responsoriumtekst
deze bijbelfragmenten uitkoos wordt vooral duidelijk als we het
hele hoofdstuk Jesaja 5 uitlezen. Jahwe hoopte op recht maar Hij
zag onrecht. (Jes.5: 7). De omheining van de wijngaard wordt door
Jahwe weggenomen, hij maakt er een wildernis van. Deze wijngaard
brengt slechts wilde bessen voort. (Jesaja 5: 4). Want alleen
zijn bevoorrechte planten zijn de mensen van Juda. (Jesaja 5:
7).
Christus spreekt het volk dat Barrabas vrijliet toe als de wijngaard.
Door te kiezen voor het onrecht van de kruisiging dat Hem zal
worden aangedaan zijn zij tot een wijngaard verworden die bittere
vruchten, wilde bessen draagt.
Het motet bestaat uit 2 secties die Poulenc beide begint met een verklanking van de uitverkoren wijngaard, een zeer klankschone zesstemmige strofe in Cis-majeur.
De muziek van de verwijtende Christus staat in mineur en is overwegend vierstemmig. Opmerkelijk zijn de drie strofen waarin Christus zijn kruisiging vergelijkt met de vrijlating van Barrabas. Het et Barrabam dimitteres kreeg scherpe dissonanten en wordt twee keer forte en de laatste afsluitende keer fortissimo gezongen. Poulenc lijkt met de dynamiek waarmee het ut me crucifigeres drie keer wordt gezongen (in de eerste strofe forte, in de tweede piano en tenslotte pianissimo) te onderstrepen dat Christus uiteindelijk berust in zijn eigen kruisdood.
In dit tweedelige motet zijn de teksten van de stervende Christus afkomstig uit Mattheus en Lukas. De Latijnse Mattheus-tekst
Et circa horam nonam exclamavit Jesus voce magna: Deus meus, ut quid me dereliquisti?
is in het Lutherse Duits van de Matthäus-Passion in ons geheugen gebrand:
Und um die neunte Stunde schriee Jesus laut und sprach:
Mein Gott, mein Gott, warum hast du mich verlassen?
Met dit scenische beeld van de eenzaamheid van Christus op Golgotha in gedachten is het eerste deel van het motet eenvoudig te volgen. De frygische toonsoort b-c-d-e-fis-g-a-b bepaalt de desolate sfeer. Het tweede deel verklankt met vele stiltes het sterven van Christus zoals in het Lukas-evangelie is beschreven.
Dit motet heeft een driedelige tekst-structuur a b c b a. Het eerste gedeelte a1 heeft een tekst die in het Duits door de muziek van J.S.Bach onvergetelijk is geworden.
Tristis est anima mea usque ad mortem: sustinete hic, et vigilate mecum,
is in de Matthäus-Passion:
Meine Seele ist betrübt bis an den Tod, bleibet hie und wachet mit mir!
Poulenc schrijft deze tekst voor sopraan-solo; in de barok is de bas altijd Vox Christi.
Het vlugge tweede deel (b1) heeft twee teksten. In Vos fugam capietis gebruikt Poulenc de barokke techniek van tekstuitbeelding: het wegvluchten wordt verklankt met snelle zestienden. Tot dit snelle b-deel behoort ook een korte aanduiding van het komende offer:
et ego vadam immolari pro vobis.
Nu volgt een langzaam c-deel: Ecce, appropinquat hora, en een korte herhaling (b2) van het vluchtthema. Het motet wordt besloten met een luisterrijke resonans van negenstemmigheid (Très calme):
et ego vadam immolari pro vobis.