Johannes Brahms

Ein Deutsches Requiem


Tekst Daan Admiraal

Tekst (onbekend)

Tekst met vertaling


Met het woord Requiem wordt van oudsher meestal de katholieke mis voor de gestorvenen, de Missa pro defunctis aangeduid. Gezongen in het Latijn, de taal van de Roomse kerk, zijn de woorden requiem aeternam - eeuwige rust, de eerste woorden die bij een requiem-mis gezongen worden.

Eén van de grote vernieuwingen die Luther heeft ingevoerd was het gebruik van het Duits in de protestantse eredienst. Zijn Duitse bijbelvertaling werd een belangrijk monument in de geschiedenis van de Duitse taal.

Brahms componeerde geen muziek op een Duitse vertaling van de katholieke requiem-tekst (dat zou "Das Deutsche Requiem" hebben opgeleverd), maar stelde als groot kenner van de Luther-bijbel zelf een bloemlezing samen uit het Oude en het Nieuwe Testament. De teksten hebben in eerste instantie vooral betrekking op menselijke zaken als leed en vergankelijkheid. Daartegenover staan een aantal sleutelbegrippen als hoop, eeuwig leven maar vooral ook troost. Zodoende ontstond op hoogstpersoonlijke wijze "Ein Deutsches Requiem".

Het heeft lang geduurd voordat Brahms Ein Deutsches Requiem had voltooid. De eerste twee delen onstonden in 1861, maar de premiere van het complete stuk was pas in 1869. De jaren daarvoor waren reeds voltooide delen al in premiere gegaan:

Het laatst gecomponeerd is deel 5: "in Gedanken an die Mutter" (Brahms' moeder stierf in 1865).

Het is bijzonder dat een stuk dat zo geleidelijk is ontstaan zo een mooie totaalvorm heeft gekregen. Bij de delen 1 en 7 valt de tekstovereenkomst meteen op:

Brahms heeft deze hoekdelen ook muzikaal met elkaar verbonden door in het slotdeel terug te grijpen op motieven en thema's uit het eerste deel. Bij nauwkeurig lezen blijken ook in de delen 2 en 6 een aantal teksten inhoudelijk verwant. Het onderwerp is de aardse vergankelijkheid:

en het Christelijke perspectief van het hiernamaals:

Deel 3 en 5 omramen het centrale deel 4

4. Wie lieblich sind deine Wohnungen, Herr Zebaoth!

Tenslotte spreken de teksten van deel 3 en 5 zich allebei uit over de korte tijdspanne die ons mensen beschoren is:

Door aldus overeenkomstige teksten naast elkaar te leggen is een beeld ontstaan van formele symmetrie:

       4      
     3    5    
   2        6  
 1            7

Mooi in het centrum, omringd door zoveel menselijk leed, Psalm 84, het lied van Gods nabijheid.

Veel belangrijker dan dit statistische evenwicht is echter de dynamiek in de opeenvolgende teksten. Er is sprake van ontwikkeling van ideeën, als men de delen 3 en 5, 2 en 6 en 1 en 7 vergelijkt. Deze tweetallen delen kunnen dan ook onmogelijk in een andere volgorde worden uitgevoerd. Zo is de psalmtekst van deel 3 die een uiting van nietigheidsgevoelens en het verlangen naar zekerheid die in deel 5 gevonden is:

3. Ich hoffe auf dich.
5. … ich will euch wiedersehen
3. Herr, wes soll ich mich trösten?
5. Ich … habe großen Trost gefunden. Ich will euch trösten, …

Het tweede deel vormt een afgerond geheel door de gesloten ABA-vorm met slotfuga. De komst van de Heer ("die Zukunft des Herrn" )(B) is slechts een voorbijgaand visioen, omringd door schrijnende koorzang en een orkestrale treurmars in driekwartsmaat.

Het uitermate dramatische zesde deel heeft daarentegen een open vorm: ABC-fuga. Vanaf het moment dat de baritonsolist de verrijzenis aankondigt, krijgt de muziek een opera-achtige spanning, die culmineert (en wel "plötzlich, in einem Augenblick, zu der Zeit der letzten Posaune") in een tumultueus koor die het laatste oordeel verbeeldt. De daarop aansluitende fuga in een majestueus C-groot werkt als een bevrijdende apotheose.

Daarmee is de sfeer van aards geweeklaag, die in alle eerdere delen, behalve het vierde, het uitgangspunt was definitief verdreven. Veelbetekenend is dat Brahms in het eerste deel afzag van violen, om met alten en celli zijn Requiem in een sombere processie van klaagzangen in dalende melodieën te beginnen. Het "ziemlich langsam" van het begin heeft plaatsgemaakt voor "feierlich", en de violen spelen met stralende klank hun bevrijdende opgaande melodielijnen.

Brahms was een veel te gevoelig en introvert componist om zo een beschouwelijk stuk met groot vertoon van vocale en instrumentale krachtpatserij te besluiten. Er is ook niet het transcendente niveau van Fauré's "In Paradisum". De laatste woorden "Selig, Selig" klinken bij Brahms als een menselijke stille wens, waarna alleen de harp opstijgt naar een hoge slotnoot.

© 1998 Daan Admiraal


Ontstaan

Brahms componeerde dit werk in een periode van 7 jaar, met tussenpozen van 1861 tot 1868. Het bestaat uit 7 delen. De volgorde waarin het werk ontstond was niet chronologisch: hij begon met deel 2 en voegde als laatste deel 5 toe. Toch is de structuur van het totaal symmetrisch: de delen 1 en 7, 2 en 6, 3 en 5 zijn muzikaal en/of thematisch verwant.

De uitvoerenden

Ein Deutsches Requiem is geschreven voor groot koor (sopranen, alten, tenoren en bassen) en een flink orkest: violen, altviolen, celli, contrabassen, 2 fluiten, piccolo, 2 hobo's 2 klarinetten, 2 fagotten, 1 contrafagot, 4 hoorns, 2 trompetten, tuba, 3 trombones, pauken, twee harpen en zelfs een orgel (facultatief). Daarnaast soleert in deel 2 en 6 een bariton en in deel 5 een sopraan.

Het thema

Brahms maakt gebruik van teksten uit het Nieuwe Testament en de psalmen. Het werk wortelt in de noord-Duitse protestantse traditie. De dood komt in diverse vormen aan de orde. In tegenstelling tot de katholieke missen en requiems, waarin de opstanding centraal staat, gaat het hier meer om degenen die achterblijven. Troost, hoop, zijn de universeel menselijke waarden die in diverse gedaanten voorkomen.

Muzikaal

Brahms is geen 'dramatisch' componist geweest. Hij schreef geen opera's en weinig thematische werken. Zijn grootste werken waren symfonieën, concerten en kamermuziek, alhoewel hij ook (naast dit Requiem) enkele andere vokale werken op zijn naam heeft. In zijn muzikale uitdrukking was hij een 'koele noorderling', in de Lutherse traditie. Toch kent dit Requiem momenten van grote dramatische kracht, en heeft Brahms op diverse punten de contrasten in de tekst met muzikale middelen dik onderstreept. Het maakt dat Ein Deutsches Requiem beschouwd wordt als Brahms' mooiste, en meest indrukwekkende werk.

De toon is overwegend donker, en de melodieën breed en statig. Dat maakt het werk geschikt voor opvoering in kerken. Er zijn diverse momenten van overweldigende muzikale schoonheid, zoals de drie grote fuga's waarmee de delen 2, 3 en 6 eindigen.

1. Seelig sind die da leid tragen (Matt. 5:4)

Seelig sind die da leid tragen, denn sie sollen getröstet werden.
Die mit tränen sähen werden mit Freude ernten.
Sie gehen hin und weinen und tragen edlen Samen,
Und kommen mit Freuden und bringen ihre Garben.

Het eerste deel begint met een langzame, donkere inleiding van het orkest, waaruit - als uit het niets - het koor opkomt. De tekst "Sie gehen hin ..." wordt in een intermezzo gezongen op een aarzelend thema, maar ontwikkelt zich dan veel levendiger, om op de tekst " .. und kommen mit Freuden .." bijna vrolijk te klinken. Het deel wordt afgesloten met een herhaling van "Seelig sind ...".

2. Denn alles Fleisch es ist wie Gras (Petr. 1:24)

Denn alles Fleisch es ist wie Gras
und alle Herrlichkeit des Menschen ist wie des Grases Blumen.
Das Gras ist verdorret und die Blumen abgefallen.
Aber des Herrn Wort bleibet in Ewigkeit

Het tweede deel is een van de meest dramatische delen van het requiem. De orkestrale inleiding kan welhaast luguber worden genoemd. Het is een marsachtig thema, merk-waardig genoeg in een ¾ maat. De tekst (eerste drie regels) bezingt het tijdelijke van het menselijk bestaan, een eerste maal zacht en aanvaardend, een tweede maal krachtig en opstandig, maar dan toch weer terugzakkend naar aanvaardend.

Als kontrast volgt nu een veel lieflijker thema op de tekst:

So seid nun geduldig, lieben Brüder, bis auf die Zukunft des Herrn,
Siehe ein Ackermann wartet auf die köstliche Frucht der Erde
Und ist geduldig darüber, bis er empfanget den Morgenregen und Abendregen, So seid geduldig.

Het eerste deel herhaalt zich ("Denn alles Fleisch ..."). Dan klinkt, met kracht: "Aber des Herrn Wort bleibet in Ewigkeit!". Dit is de inleiding op de eerste grote fuga, op de tekst:

Die Erlöseten des Herrn werden wiederkommen und gen Zion kommen mit jauchzen.
Freude, ewige Freude wird über ihrem Haupte sein;
Freude und Wonne werden Sie ergreifen
Und Schmerz und Seufzen wird weg müssen

De melodie is triomfantelijk, en in het orkest worden alle registers opengetrokken, met belangrijke partijen voor koperblazers en pauken. Een voorbeeld van de grote dramatische inzet van Brahms treft men aan bij de tekst "Und Schmerz, und Seufzen ...". Daar wordt de toon langzaam en aarzelend, maar men jaagt zich meteen weer op met een bijna schreeuwend: "Wird weg, wird weg müssen!". Let op de donderende pauken bij het volgende "Die Erlöseten ...".

Hierna sterft dit deel als het ware uit met overal uit het koor opdoemende fragmenten "Ewige Freude", zich nog eenmaal opwerkend tot een groots crescendo.

3. Herr, lehre doch mich (Ps.39)

Herr, lehre doch mich daß ein Ende mit mir haben muß
Und mein Leben ein Ziel hat, und ich davon muß.
Siehe, meine Tage sind ein Handbreit vor dir
Und mein Leben is wie nichts vor dir.

De baritonsolist zingt deze psalm op een aarzelende, stokkende begeleiding van pauken en lage strijkers. Het koor herhaalt de tekst, maar daar is de begeleiding door pizzicati en stuwende strijkerstonen meer vloeiend.

Ach, wie gar nichts sind alle Menschen die doch so sicher leben
Sie gehen daher wie ein Schemen, und machen ihnen vergeblichen Unruhe;
Sie sammeln und wissen nicht, wer es kriegen wird

Het tweede deel is melodieuzer en meer vloeiend, en wordt wederom eerst door de bariton gezongen en door het koor herhaald. Het mondt uit in een:

Nun Herr, wes soll ich mich trösten

dat door het koor uitgebreid wordt herhaald en gevarieerd, en tenslotte zachtjes uitsterft. Daarop volgt een crescendo op de tekst: "Ich hoffe, ich hoffe auf dich", wat de inleiding is tot de tweede grote fuga in dit requiem:

Der gerechten Seelen sind in Gottes Hand und keine Qual rühret sie an.

Deze fuga heeft een klassieke vorm; hij zou door Bach geschreven kunnen zijn.

4. Wie lieblich sind deine Wohnungen (Ps. 84)

Wie lieblich sind deine Wohnungen, Herr Zebaoth,
Meine Seele verlanget und sehnet sich nach den Vorhöfen des Herrn
Mein Leib und Seele freuen sich in dem lebendigen Gott

In dit deel is de stemming vriendelijk en mild. Op een begeleiding van houtblazers en beweeglijke strijkersfiguren verloopt het eerste deel. Het middendeel is juweeltje van een kleine fuga op de tekst:

Wohl denen, die in deinem Hause wohnen, die loben dich immer dar

Hij gaat bijna onmerkbaar over in een reprise van de hoofdtekst: "Wie lieblich ...".

5. Ihr habt nun traurichkeit (Joh. 16:22)

Ihr habt nun traurichkeit,
aber ich will euch wiedersehen und euer Herz soll sich freuen
Und eure Freude soll niemand von euch nehmen

Dit deel is een intiem duet tussen de sopraansoliste en het koor. Op de tekst van de sopraan antwoordt het koor:

Ich will euch trösten, wie einen seine Mutter trostet

Dit laatste ("wie einen seine Mutter tröstet") moet overigens vertaald worden als: "zoals een moeder haar kind troost". Het middendeel bevat de tekst:

Siehet mich an: ich habe eine kleine Zeit Mühe und Arbeit gehabt und habe großen Trost funden

en ook hier antwoordt het koor met "Ich will euch trösten...", nu iets heftiger dan eerst. De troost die uit de tekst spreekt wordt prachtig ondersteund door een vloeiende melodie, gespeeld door strijkers 'con sordino' en houtblazers.

6. Denn wir haben hie keine bleibende Statt (Hebr. 13:14)

Denn wir haben hie keine bleibende Statt, sondern die zukünftige suchen wir

Dit deel is samen met deel twee het meest dramatische van het requiem, en ook hier is een solobariton aanwezig. Het koor begint, bijna aarzelend, op een begeleiding van hout-bla-zers en pizzicati in de strijkers. Dan gaat de bariton verder met:

Siehe, ich sage euch ein Geheimnis.
Wir werden nicht alle entschlafen, wir werden aber alle verwandelt werden.

De begeleiding is daar veel intenser, wat het geheel een bijzondere nadruk geeft. Het koor herhaalt, aarzelend en bijna vragend de tekst, waarbij de begeleiding langzaamaan meer spanning opbouwt. Dan zingt de bariton onder een stevig crescendo in het orkest:

Und dasselbige plötzlich, in einem Augenblick, zu der Zeit der letzten Posaunen

Na de fanfare-achtige herhaling in het koor ontstaat een massale, gejaagde melodie op de tekst:

Denn es wird die Posaune schallen und die Toten werden auferstehen und verweslich, Und wir werden verwandelt werden

De bariton zingt vervolgens:

Dann wird erfület werden das Wort, das geschrieben steht:

waarop het koor op dezelfde gejaagde melodie zingt:

Der Tod ist verschlungen in den Sieg.
Tod, wo ist dein Stachel!
Hölle, wo ist dein Sieg!

Het deel eindigt met de derde grote fuga, op een triomfantelijke melodie, waarin het hele orkest deelneemt:

Herr, du bist würdig zu nehmen Preis und Ehre und Kraft
Denn du hast alle Dinge erschaffen
Und durch deinen Willen haben sie das Wesen und sind geschaffen

7. Seelig sind die Toten (Openb. Joh. 14:13)

Seelig sind die Toten die in dem Herren sterben, von nun an.

Dit deel heeft dezelfde rustige, statige sfeer als deel 1, en is er ook qua melodieën mee verwant. In het middendeel is melodie meer geheimzinnig, op de tekst:

Ja, der geist spricht, daß sie ruhen von ihrer Arbeit
Denn ihre Werke folgen ihnen nach

In het laatste deel keert de tekst "Seelig sind .." terug, op de melodie die ook in het eerste deel werd gebruikt.

991120rje