Eine Lebensmesse - gedicht van Richard Dehmel

Richard Dehmel

Eine Lebensmesse

Tekst (ned)


Richard Dehmel (1863-1920) was een van de bekendste dichters van de literaire Jugendstil in Duitsland en een van de drijvende krachten van het tijdschrift "Pan". Voornamelijk aan lyriek geintereseerd wilde hij in zijn gedichten - zij cirkelden om de "grote" thema's van liefde, kunst, tijd, toekomst - de dynamiek van het levensrhythme vangen. Het pathos van de gedichten zoals in de tekst van "Eine Lebensmesse" heeft zijn oorsprong in de wil tot overtuigen. Daarbij herkent men ook de bronnen, Schiller bijv. en Büchner (met "Hütte und Palast"). Een betere wereld stond hem voor ogen, waarin de mens, door de bijna mystieke oerkrachten van natuur en schoonheid bezield, het esthetische tot leidraad had gekozen.

Dit leidde bij Dehmel tot een onverhulde "Schönheitskult", die zich bediende van pathetische taalmiddelen en een te hoog inzettend hymnische toon, die al spoedig niet meer goed te verdragen valt en op de grens van het lachwekkende balanceert. In de tekst van de "Lebensmesse" is deze esthetisering van het leven in iedere regel te bespeuren, veel impulsen van Nietzsche ("Zarathustra") laten zich gemakkelijk traceren en bepalen voor een deel mede de 'klankkleur' van de 20er jaren.

De (te) nadrukkelijke poëtisering komt in rhythmische posities tot uitdrukking ("von Brust zu Brust", "Schooss zu Schooss"; "ich weiss kein Ziel, ich will kein Wohl" etc. ) en in stafrijmende verbindingen als "wandelnde Wage", "Haupt, Herz, Hände", "Freund/Fratze", "Weibsbild/weg", "Vorsicht/Nachsicht", "Lehre/Leben/Liebe", "rauscht/raunt", "Wellen/Wolken/Wälder", Winter/Wasser/Wellen, "mit jauchzenden Jammerlauten"). Dehmel is ook niet ontkomen aan een gekunstelde metafoor als bijv. de mens als weegschaal; de versregel "seine Zunge schreit nach Gleichgewicht" (zijn tong roept om evenwicht) is uit het beeld te verklaren, want het "Zünglein an der Waage" is cruciaal: "es gibt den Ausschlag".

Tenslotte wijzen ook "zware woorden" met een grote lading op een ambitieus filosofisch niveau:
Schicksal, Werkstatt des Todes, Allmacht, Tat wird Untat, herhalingen van "Schweiss und Tränen", Ströme von Blut, opferselig/schöpferselig, "orgelstürmisch" "Frühlingsblütennacht" . Tegenover dit al te grote staat dan het al te kleine van de "Kindermund", het sprookje van de Weihnachtsengel, "Sterne" als "Spielzeug" en "Feuerwerk der Welt" "mit den unsichtbaren mütterlichen Flügeln" - kortom: de iets te letterlijk genomen "Seele wie ein Kind", waarvoor de grote thema's bijna letterlijk een maat te groot zijn.

Hieraan is gemakkelijk te zien wat de zwakheden van Dehmel zijn: een (te) hoog stijlniveau dat niet goed bij het geheel past, en de poëtisering precies laat mislukken. De geest van de tekst is eveneens typisch voor de onstaansperiode. Er is ongeremde geestdrift voor een "held", die sich door niets laat remmen en het Lot durft tarten, er wordt een stier geslacht en geofferd. Een dynamische beweging tracht het kind te overmeeesteren: de wilde stroom, de rollende golven en het slotlied van alle grote mensen samen, die het loflied zingen van de "Seele der Menschheit" als het eeuwig scheppende principe en het geheim van het leven. De herkomst laat zich raden: Nietzsche en de levensfilosofie, waaraan hier een flinke scheut Vitalisme wordt toegevoegd.
In weerwil van Dehmels grote roem tijdens zijn leven werd hij spoedig na zijn dood vergeten; nu kent alleen de literatuurgeschiedenis nog zijn naam.

Prof. F. J. van Ingen

van Gilse/Dehmel, Eine Lebensmesse

Richard Dehmel

Eine Lebensmesse

Tekst (ned)

Richard Dehmels tekst Eine Lebensmesse is een pathetische en visionaire verheerlijking van een dionysisch menselijk bestaan dat gedreven wordt door de biologische instincten en op zoek is naar extase.

Eine Lebensmesse staat diametraal tegenover het Christelijke beeld van het leven, waarbij de mens na het verloren paradijs tijdens zijn jammerlijke aardse leven mag hopen op het komende Rijk Gods. In Dehmels tekst ontbreekt aanvankelijk elk doelgericht toekomst-perspectief en ook de moraal: Ich weiß kein Ziel, ich will kein Wohl! zingt de tenor (Ein Held) in zijn eerste grote aria. Hier spreekt Nietzsches 'jenseits von Gut und Böse'.

De tekst is areligieus - de mens is niet op zoek naar God maar naar zichzelf:

Denn nicht über sich, denn nicht außer sich, nur noch in sich sucht die Allmacht der Mensch, …

Met het verheerlijken van een ongeremd biologisch vitalisme wordt het gedachtegoed van de verlichting volledig verlaten. Niet meer geleid door het verstand ('Vernunft') maar door instinct ('Trieb') wordt het leven zelf plechtig gevierd, het is een 'Feier des Lebens', 'Eine Lebensmesse':

Ein Held: ich habe nur dies mein Herz im Leibe, das von jeher überschwoll,

zingt de tenor die als een soort mannelijk archetype even later losbreekt uit alle conventies:

mitten durch den Erntereigen kam ein losgerissener Stier. Und da …. schlug ich dem Freund in die Fratze, stieß ich das Weibsbild weg! Und jetzt reit' ich von Sieg zu Siegen Bahnfrei auf meinem Stier dahin, …

om zonder grenzen, rijdend op zijn stier, te zegevieren.

Naast deze mannelijke adolescent zijn andere archetypen geplaatst. Tegenover Ein Held, de wereldveroverende jonge man (de tenor), staat Eine Jungfrau, de zich overgevende jonge vrouw (de sopraan). Zij is volledig overweldigd door het voorjaar in een geparfumeerd aan Richard Strauß herinnerend orkestlied. Zij wordt door wellust bevangen, maar haar verlangen lijkt vooral gericht op vruchtbaarheid, een totaal opgaan in de levenschenkende natuur, dat is haar lenteoffer, haar Sacre du Printemps:

Aber wenn auf Frühlingswegen …Alle Kräuter mir entgegen wachsen, …Und mir geht das so zu Herzen,Daß mich meine Brüste schmerzen: Dann gerat ich außer mir! Und ich werf' mich zum erbarmen In den rauhen Rasen hin, …

Veel expliciter is de tekst over de sexualiteit van de veroverende man, de Don Juan:

Doch immer treibt ihn Die sehnsucht nach Ruhe: Rastlos rast er von Brust zu Brust, Schooß zu Schooß, …

Een meer door het leven gerijpte beschouwelijke afstand en iets van waarschuwende terughoudendheid spreekt uit het Chor der Väter, die de mens zien als een wandelende (opportunistische keuzes makende) weegschaal zien:

Eine wandelnde Wage ist der Mensch.

De mens die stevig in het leven staat kan kiezen:

Faß festen Fuß, du hast die Macht der Wahl!

Velen echter die zich overgeven aan het verlangen gaan uit onmacht tot het uiterste en bereiken hun doel niet. Hun mond schreeuwt om evenwicht:

Und seine Zunge schreit nach Gleichgewicht.

Het Chor der Mutter begint met eenzelfde beschouwelijkheid:

Mit Schweiß und Tränen und manchen tropfen Blut
setzen wir Kinder auf diese Erde und lehren sie Vorsicht ….

maar de tekst wordt hartstochtelijk als het gaat om die ene, die als een ware Phaëton (de zoon van de zonnegod die de zonnewagen van zijn vader bestuurde en verongelukte) met de blik op oneindig en verstand op nul boven de aarde heenraast zonder voorzichtig te zijn voor zichzelf en anderen:

Denn Schweiß und Tränen und alles Blut vergessen wir entzückt, wenn Einer, den Blick der Sonnen oder fernsten sternen zugewandt, über die Erde hinstürmt ohne Vorsicht,…

Tot zover is de tekst redelijk duidelijk. Moeilijker wordt het de dichter te volgen bij de drie (arche-)types die nu aan het woord komen, een wees en twee ervaren zonderlingen. De wees heeft geen bindingen, zij voelt zich niet-gekend:

Ich kenne Keinen, der mich will leben sehn, ich möchte weinen, aber um wen!

Haar wereld is onvolledig en staat in het teken van het gemis. De Zwei erfahrene Sonderlinge bieden haar niet alleen troost, maar ook een keuzemodel:

Der Eine: Komm an meinen stillen See, …
Der Andre: Komm auf meinen wilden Strom!

Staat de stille See voor een introvert leven in de geest, en de wilde Strom voor het opwindende extraverte aardse leven? Let op het subtiele verschil:

Der Eine: Lächelnd gehst du unter drinnen.
Der Andre: Und so gehst du … lachend auf ins große Meer!

En nu blijkt plotseling dat de vier jaargetijden (als metafoor voor de menselijke levensfasen) een rol spelen in de vorm van het gedicht. Na het voorjaar, waar de Jungfrau zich wellustig aan overgaf (Aber wenn auf Frühlingswegen) brak de Held (an einem Sommertage) uit. Eine Waise vreest in de herfst (van haar leven) nog steeds zonder binding aan een persoon en een vaste plek door het leven te zwerven:

Bald kommt der Herfst mit seinen Stürmen, wo werd'ich irren, wenn die winzigsten Gewürmen Heimstätten türmen?

De held komt als hij de wees en de twee zonderlingen ziet en met de winter in aantocht tot inzicht. Hij wil nu een vrouw en kinderen en zal voor haar zijn stier slachten (zijn wereldveroverende driftleven inperken):

Holt mir jene Jungfrau von der Wege,

en als zij er voor voelt

... will ich sie an mein Herz legen und ich schlacht ihr meinen Stier!

Hoeveel leuker is de avonturier dan de burgerman in de literatuur!

Dann wird ein Winter kommen, Dehmel gaat zelfs nu over tot een sentimentele kerstscène. Kerst en Pasen: ze worden beide genoemd in het gedicht. In het voorjaarslied van de Jungfrau was sprake van ogen die in de zon als Paaskaarsen straalden:

wenn im Sonnenschein jedes auge Osterkerzen aus sich ausstrahlt -

in dit areligieuze vruchtbaarheidsritueel gebruikt de dichter Pasen als metafoor voor nieuw leven. Ook de kerstscène is geënt op het heidense midwinterfeest van vernieuwing en nieuw voorjaarslicht.

Een seizoen van vier jaargetijden wordt besloten. De aandacht verschuift van de voormalige adolescenten die hun voorjaar en zomer uitgeraasd zijn naar een nieuwe generatie.

De Seele der Menschheit (in het eerste Chor der Greise was het der Allmacht der Menschheit) ligt in het kind besloten:

immer wieder rührst du uns aus Kindermund.

Die kinderen worden beschreven als gemetamorfoseerde stenen. De dichter verwijst hier naar het verhaal van Deukalion en Pyrrha uit de klassieke mythologie. Zeus heeft het mensen-geslacht met een zondvloed verdelgd, alleen Deukalion en Pyrrha als onschuldigen werden in een boot gespaard. Als het water is gezakt hebben zij maar een wens: het gezelschap van andere mensen:

'Ach, kon ik met Prometheus' kunsten nieuwe mensen scheppen,
Nieuw leven blazen in een met klei gemaakte vorm!
Nu is het mensenras alleen nog in ons beiden over
- zo wilden het de goden - , wij alleen staan nog model…'
Zo sprak hij. Beiden huilden.

Boek I, 363-367

Zij krijgen daarop (bij Ovidius van het orakel) de opdracht de botten van hun grote moeder in hun voetspoor te werpen. Deukalion doorziet de raadselachtige orakeltaal en beseft dat de grote moeder de aarde is en de botten in het lijf der moeder zijn de stenen der aarde:

Zij gaan dus heen, sluieren zich, knopen hun kleren los
en werpen volgens godsbevel de stenen in hun voetspoor.

Boek I, 398-399

.......
en spoedig namen de door mannenhand geworpen stenen
volgens de wil der goden 'uiterlijk van mannen aan
en uit het werpen van de vrouw ontstonden nieuwe vrouwen.

Boek I, 411-413

Nu is alles duidelijk. Deukalion en Pyrrha huilden om hun eenzaamheid en beleven de triomf van de metamorfose van stenen in mensen, die de Godheid in zichzelf zijn:

und mit jauchzenden jammerlauten, das sich Steine verwandeln, Götter gebärst…

Merkwaardig tenslotte is het dat de dichter spreekt over kinderen die gehoorzaam zijn, Kinder, die sich fromm in Alles schicken. Maar we mogen er in de geest van het gedicht van uitgaan dat sommigen later onweerstaanbaar zullen uitbreken.

Daan Admiraal, Heemstede, 2003-06-18

Met dank aan de germanist Theo Kramer, die mij geheel
belangeloos een lang college Duitse letterkunde gaf en
Peter Wehmeyer, die mij op het spoor van Deukalion en Pyrrha zette.
Ovidius, Metamorphosen, vertaald door M.d' Hane-Scheltema.
Athenaeum-Polak&Van Gennep, Amsterdam, 1994.


Vertaling

Richard Dehmel

Eine Lebensmesse

Tekst (ned)

Koor der grijsaards:

Wanneer de mens,
die het Lot aandurft,
zijn doorgroefde gelaat
voor de almacht van de mensheid buigt,
alleen nog voor de mensheid:
dan wordt zijn ziel als een kind,
dat in het donker met gesloten ogen
aan de sprookjes van moeder denkt.
Alle sterren
worden dan zijn speelgoed;
door het wilde vuurwerk van de wereld
gaat hij onbevreesd rond met de onzichtbare
vleugels van moeder,
kijkt hij devoot en verwonderd toe,
hoe het leven
de werkplaats van de dood uitspettert.
Want niet boven zich,
want niet buiten zich,
alleen nog in zichzelf
zoekt naar de almacht de mens,
die het Lot aandurft.

Een jonge vrouw:

Maar wanneer langs voorjaarswegen
door het schijnbaar dorre woud
alle kruiden mij tegemoet
groeien, wanneer in de zonneschijn
ieder oog paaskaarsen
naar buiten laat stralen, mens en dier,
en me dat zo aan het hart gaat
dat mijn borsten er pijn van doen:
dan raak ik buiten mezelf!
en ik werp me snakkend naar erbarmen
het ruige grasland in,
en ik zou het Lot willen omarmen,
dat ik immers aandurf!

Koor der vaders:

Een veranderlijke weegschaal
is de mens.
Met hoofd, hart, handen
weegt hij af wat hem goed doet;
alleen met de rechterhand geeft hij de uitslag aan,
en zijn tong schreeuwt om evenwicht.
Ga vast op je voeten staan,
je hebt de macht van de keuze!
Er komen velen
van verlangen nooit tot het doel;
graag gaat de mens tot het uiterste
in zijn onmacht, en daad wordt wandaad.
En toch drijft hem altijd
het verlangen naar rust:
rusteloos raast hij van borst naar borst,
van schoot naar schoot,
en zoekt niets dan de mens,
die het Lot aandurft.

Een held:

Kom me niet aan met wat jullie drijft,
ik ken geen doel, ik wil niet wat mij goed doet!
ik heb alleen dit hart van mij in het lijf,
dat altijd al overliep.
Ik had vrienden, ik gaf feesten,
en voor menige vrouw heb ik wat gevoeld;
maar op een zomerdag
bleek met één klap
wat ik in mijn mars heb.
Het spel van de hoorns en de violen
verstomde plotseling woest en verward:
midden door de Oogstreidans
kwam een losgerukte stier.
En toen rukte mijn hart me van mijn plaats,
en men probeerde geschrokken mij beet te pakken,
maar met één zwaai
sloeg ik de vriend op zijn bek,
stootte ik het vrouwspersoon opzij!
en nu rijd ik van overwinning naar overwinning
op mijn stier voort en heb vrij baan,
totdat ik het onderspit delf tegen het Lot
dat ik aandurf.

Koor der moeders:

Met zweet en tranen
en menige druppel bloed
zetten wij kinderen op deze aarde
en leren hen voorzichtig te zijn
en we betrachten toegeeflijkheid,
totdat zij meer van zichzelf houden dan van ons.
En zweet en tranen
en stromen van bloed
vergieten de kinderen van deze aarde
uit louter voorzichtigheid
en ze onderwijzen toegeeflijkheid
en leren nooit wat liefde is.
Want zweet en tranen
en al dat bloed
vergeten wij verrukt, wanneer er één,
met de blik op de zon of de verste sterren gericht,
over de aarde heenstormt zonder voorzichtig te zijn,
zonder toegeeflijkheid,
over zichzelf en anderen heen.
Tegen elke leer in,
alleen uit liefde voor het leven,
prijzen wij voor kinderen en kindskinderen
in de roes van het offeren die éne,
in de roes van het scheppen de mens,
die het Lot aandurft.

Een wees:

Ik ken niemand,
die mij wil zien leven;
ik zou willen wenen,
maar om wie!
Weldra komt de herfst met zijn stormen,
de bladeren dwarrelen rond;
waar zal ik heen dwalen,
wanneer de nietigste wormpjes
woningen voor zichzelf opbouwen?
Er staan voor mij wel hutten,
paleizen open;
maar ik zou mijn hart willen uitstorten
hopen tot iemands hart door te dringen,
en dan staan de mensen er beteuterd bij.
Als ik nog zou kunnen wenen,
dan zou dat goed naar mijn zin zijn;
ik ken niemand,
die ik aandurf.

Twee ervaren zonderlingen:

Wanneer hulpkreten ons verdriet doen,
kunnen we niet afzijdig blijven;
één pot nat is het voor ons hart,
wat ons drijft en wat wij bedrijven.
Vat moed!

De een alleen:

Kom aan mijn stille meer,
wanneer de mensen je niet willen.

De ander alleen:

Kom op mijn wilde stroom!
zie, hoe levendig de golven rollen!

De een:

Maar beneden is het donker;
kom aan mijn stille meer!
Wat een gefonkel tot op de bodem
wanneer de zon onderduikt in het vochtige nat;
En, wat een geschitter 's nachts,
werelden glinsteren op als sneeuw!
Kun je er dan nog over nadenken,
wanneer alle hemelen je lokken?
wanneer ze aan je voeten neerzinken
en je spiegelen en je indrinken!
Glimlachend ga je daarin kopje onder.

De ander:

O, je kunt er nog over nadenken;
maar kom op mijn stroom!
Daar ruist en fluistert de oertoon binnenin,
waarnaar golven, wolken, wouden, tinnen,
bergen en burchten toestromen,
en met orgelgebruis dom na dom:
de toon van de oorsprong van alle doelen,
van het vallen van de druppels om je heen,
van de afgrond onder je kiel -
en zo ga je met slaande trom
lachend op in de grote zee!

De wees:

Opgaan -! Ach -! wijs - lief en wijs
lachen ze me beiden toe.
Ach, aan wie heb ik de reis te danken?
Ik ben toch maar één wees
die zichzelf niet doormidden kan scheuren!

De twee zonderlingen:

Hahaha! Jij lief kind!
Zonder onnozelheid is uiteindelijk
alle wijsheid doof en blind.
Kom: verenig onze handen -

De drie verenigd:

die het Lot aandurven!

De held:

Wanneer ik jullie eendrachtig zie staan,
krijg ik het plotseling koud en heet;
door mijn hart laait een verdriet,
dat van geen ophouden weet.
Haal me die jonge vrouw uit de weg,
voor wie het land hier te benauwd was!
Als zij mij met hart en ziel tegemoetkomt,
dan wil ik haar aan mijn hart drukken,
en ik slacht voor haar mijn stier!
En we schepen ons in en wenden
de steven door weer en water en wind;
en zij moet mij kinderen schenken,
die het Lot aandurven!

Koor der kinderen:

Dan zal er een winter komen,
vriest al het water dicht,
dan hebben alle golven
en alle scheepjes rust.
En een stille Kerstengel
gaat van huis tot huis,
steekt zijn witte vingers op,
draait alle lampen uit ...
Brengt een groen boompje mee,
zet er nieuwe lichtjes in;
het staalt als Lentebloesemnacht,
en er hangen ook vruchten in.
O stille Kerstengel,
maak ons net zo handig als jij!
we zijn immers nog zo klein, zo klein,
en groeien steeds groter...

De grijsaards:

- steeds groter - -

Alle grote mensen:

Ziel van de mensheid,
steeds weer
ontroer je ons vanuit de kindermond.
Jij die alle dieren in je draagt
en de bloemen hun kleuren geeft
en die met juichende jammerklachten,
dat zelfs stenen van hun stuk raken,
goden baart:
Waarom zoeken we jou,
die binnenin ons bent,
ons alle werelddelen in stuurt,
ons met zodanige overmacht,
dat de wijste man zich erover opwindt,
tot kinderen maakt,
die zich braaf in alles schikken,
alles, alles,
die het Lot aandurven?! -

Vertaling prof. F.J. van Ingen

Correctie Hansa Krijgsman

rje020606