Hongaars programma

In het eerste programma van het nieuwe millennium geeft Philharmonisch Koor Toonkunst Rotterdam een kijkje in het Hongaarse repertoire. Componisten uit midden-Europa zijn altijd al geïnspireerd door volksmuziek, en bij Bartók en Kodály is dat in extra sterke mate het geval. We kennen het Hongaarse idioom uit bekende composities van Liszt en Brahms (de Hongaarse rapsodieën en dansen). Dat betekent, dat ook voor degenen, die de werken van Kodály en Bartók niet kennen, de muziek toch meteen iets vertrouwds heeft.

Zoltán Kodály heeft veel gedaan om de volksmuziek vast te leggen, en om zijn landgenoten, met hun sterke zangtraditie, kwalitatief hoogstaand materiaal te geven.

Matrai Kepek ("Beelden uit het Matrai gebergte") is een treffend voorbeeld van de betekenis van Zoltán Kodály voor het verbreiden van de zangcultuur in zijn land. Het is in alle opzichten een heerlijk stuk, zowel voor de uitvoerenden als voor de luisteraars. Het is a capella (zonder begeleiding), niet al te moeilijk om te zingen en bevat direct aansprekende melodieën, maar heeft toch voldoende elementen om er artistieke bevrediging in te kunnen vinden. Het bestaat uit zeven delen en samen drie scènes, die elk iets vertellen van bewoners van dit prachtige gebied.

Het volgen van de gebeurtenissen wordt wel gehinderd door de Hongaarse tekst, die voor de gemiddelde Nederlander een onoverkomelijke hinderpaal oplevert. Daar staat tegenover, dat ook de originele tekst meer uit flarden bestaat, in bovendien nogal archaïsch Hongaars. Letterlijk vertalen maakt het allemaal niet veel duidelijker. Daarom zal onderstaande beschrijving de beste aanknopingspunten bieden om de handeling te kunnen volgen.

In het eerste scène, deel 1 (con moto, parlando, vier coupletten) wordt de deugniet Vidrócki bezongen. Het is slecht met hem afgelopen, want hij heeft zijn wandaden met de dood moeten bekopen. Zijn kudde loopt nog zoekend en knorrend rond.

Deel 2 (allegro, drie coupletten) beschrijft hoe het zo gekomen is. Hij stal een veulen van zijn baas, en zijn straf was dat Pintér Pista met één machtige houw zijn hoofd eraf sloeg.

In deel 3 (tempo 1, ma un poco meno mosso, één couplet) staan de vrouwen (alten) treurend om zijn graf, en roepen hem op om er weer uit te komen: "er wachten zes steden op je" (een uitdrukking voor 'veel mensen'). Hij besluit hij te blijven waar hij is (bassen: "Kom maar met twaalf steden…").

De tweede scène, deel 4 (tempo di marcia, drie coupletten) is een lied van verlangen naar de verte. Op een stevige mars kondigen de mannen aan dat zij weggaan. In een iets rustiger tempo bezweert degene, die achterblijft, de ander om trouw te blijven: "Als je trouw blijft zal God je zegenen, (heftig) anders zal Hij je straffen!"

Vervolgens in deel 5 (andantino, twee coupletten) een lied van heimwee. Een vogeltje (márdaka) wordt gevraagd om het thuisfront van dit heimwee in kennis te stellen.

De derde scène bezingt het landelijke leven. In deel 6 (tranquillo, drie coupletten) beelden van een jongen (tenoren) en een meisje (sopranen), die in het zomerse hooiland aan het werk zijn. Dat wil zeggen: zij is aan het werk, en hij praat tegen haar aan om haar over te halen zijn vrouw te worden: "Voor dat hooiwerk ben je toch te goed, jij moet in een mooie kamer zitten!"

Deel 7 (allegro molto) bestaat uit flarden die verschillende figuren tonen. De diverse rollen worden door de stemgroepen verbeeld, en daarmee is de handeling goed te volgen. De anderen begeleiden dan veelal met een ritmisch Hej, haj, hej, haj… Het eerste deel wordt verderop ook als refrein gebruikt:

Ket tjúkom tavali, három harmadévi,
Hajtsd haza Juliskam, zabot adok néki.
Pite sárga, pite búbos, pite mind a három,
Az uram is itthon vagyon, nincsen semmi károm!

1. (hele koor) een oude vrouw die haar kippen bij elkaar roept: Ket tjúkom tavali…

2. (sopranen) een onaardige dame (sopranen) die haar dienstmeid verwenst: Hallod-ë, të szolgáló …
Hele koor: Hej, haj …

3. (bassen) mannen in de kroeg die meer wijn wensen: Ki van borér? De soká jár!

4. (alten) de bediening die in plastische taal de staat van dronkenschap van de klandizie bezingt: A fuzfának nincsen tövi…

5. Refrein: Ket tjúkom tavali…

6. (alten) een moeder die haar dochters aanprijst: Apczon lakom, keress mëg…

7. (bassen) een vader die de kosten van een huwelijk van zoon of dochter opsomt: Ki a lányát fér'hëz adja

8. (sopranen) een vrouw die haar luie huisgenoot met een stok haar huis uitjaagt: Kimënj vendég a házamból…

9. Tenslotte nog eenmaal het refrein: Ket tjúkom tavali…

U moet wel opletten, want dit hele deeltje 7 duurt nog geen twee minuten.


Psalmus Hungaricus

De Psalmus Hungaricus opus 13 is geschreven in 1923, ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de vereniging van de steden Boeda en Pest tot Boedapest. De tekst is een Hongaarse herdichting van Psalm 55 uit de zestiende eeuw. De dichter heeft in een acrostichon zijn naam aan ons nagelaten: de eerste letters van de 22 coupletten leven de tekst:

MICHAEL VEG KECsKEMETI AHS

ofwel de in Kecskemét woonachtige of geboren, 16e eeuwse dichter Mihály Vég. AHS kan betekenen: Alumnus Hungariae Scripsit (een zoon van Hongarije schreef dit) of Auctor Hulus Scripturae (auteur van dit schrijven).

Kodály gebruikt om dramaturgische redenen slechts 17 coupletten. De tekst van Vég is veel dramatischer dan die van psalm 55 uit de bijbel. In de tekst geeft koning David uiting aan zijn gevoel van wanhoop en verlatenheid temidden van vijanden en zogenaamde vrienden.
Muzikaal is het werk een rondo met een vijf maal herhaald koraalthema, dat Kodály zelf componeerde. Ook hij gebruikte de techniek van het acrostichon: de Gregoriaanse sequens Lauda Sion Salvatorem, die later de Calvinistische psalm 55-melodie werd, is ingenieus verstopt in het koraalthema:

Het werk begint met een dramatische inleiding van het orkest. Uit een enkele toon van blazers en lage strijkers komen de alten en bassen van het koor - op bovenbeschreven thema, zonder begeleiding - voort met de tekst:

Toen Koning David gebukt ging onder zwaar leed en zelfs door zijn vrienden op wrede wijze in het nauw werd gebracht, uitte hij zijn diepe smart en verhief zijn stem tot God:

Tenor:

Eeuwige Vader, hoor mij aan, zie op mij neer, mijn God, verlaat mij niet in mijn leed.
Ik ween en ik klaag, dagen en nachten.
Droef is mijn ziel, uitgeput mijn krachten,
Zwaar is mijn hart van bittere droefenis,
Vertoornd in hoge mate over mijn vijanden.
Had de Heer mij vleugels gegeven, gelijk een duif,
Dan was ik reeds lang ontvloden naar verre, verre landen.
Liever zou ik de woestijn bewonen, dwalen in eenzame duistere wouden,
Dan blijven te midden van hen, die mij verbieden de waarheid te verkondigen.

Koor (sopranen en tenoren)

Toen Koning David gebukt ging onder zwaar leed en zelfs door zijn vrienden op wrede wijze in het nauw werd gebracht, uitte hij zijn diepe smart en verhief zijn stem tot God:

Tenorsolo

Listig beramen zij boze plannen, vol laster en verraad om mij in hun strikken te vangen en luid zich te verheugen over mijn gevangenschap.
Boosheid en haat slechts kent het volk.
Vervuld van twist zijn huizen en straten.
Zo'n dorst naar goud, zulk een gierigheid, wordt nergens op aarde aangetroffen.

Vanaf dit punt vervult het instrumentaal behandelde vrouwenkoor zich aan de begeleiding toe.

Snoodaards ontzien zich niet
om weduwen en wezen te bedriegen.
Noch hun denken, noch hun doen, wordt ooit door God geleid.

Voor de derde keer klinkt het hoofdthema, nu massaal, in het gehele koor:

Toen Koning David gebukt ging onder zwaar leed en zelfs door zijn vrienden op wrede wijze in het nauw werd gebracht, uitte hij zijn diepe smart en verhief zijn stem tot God:

Tenorsolo

Nooit zou ik zulk een grote smart voelen, veel lichter zou ik mijn noodlot dragen, indien het slechts vijanden waren, die mij zo kwellen.
Doch zie, mijn vriend, mijn liefste makker, hij, wien ik volkomen vertrouwen schonk, met wien ik samen mijn levensweg ging, hij was mijn vijand, de felste van allen.
Bittere dood, straf hen allen, ontneem de vijanden hun macht,
Vervloekt zij hun ijdele goddeloze spot, vervloekt heel hun afschuwelijk misdadige aanhang.

Het volgende fragment klinkt eerst door de tenor, met een halve maat vertraging gevolgd door het vrouwenkoor, en tenslotte herhaald door het gehele koor:

Heer, hoor mijn klachten, ik smeek U.
Ik roep tot U, te allen tijde, zend mij redding, zend mij verlossing, als mijn vijanden mij bedreigen en leed mij treft.

De stemming verandert: met een harpsolo zet een meer berustend, aanvaardend adagio in. De tenor bezingt in een prachtige, verstilde aria zijn Godsvertrouwen.

Tenorsolo

En toch, mijn ziel, verheug u en vrees niet.
God is uw vertrooster, het licht op uw pad.
Hij ontneemt u alle aardse leed en geeft gehoor aan uw bede.

Met machtige stoten op het koper en slagwerk wordt een waarlijk oudtestamentisch visioen ingeleid. Daarop zingt het koor de tekst:

Eeuwige rechtvaardige, nooit zult Gij dulden der boosdoeners bloeddorstige daden.
Nooit zal hun werk door U gezegend worden.
Lang leven op aarde zal hun niet beschoren zijn.
Gij zult het vertrouwen der vromen niet beschamen,
Hun zijt Gij een vaste burcht.
Wie diep vernederd is zult Gij verheffen, de overmoedig vermetele slaat Gij ter neer.
Wien Gij de zwaarste beproevingen zendt, dien heft Gij weder op tot volle glorie, verlossing en blijdschap zijn nabij.

Tenslotte de epiloog van het koor, op het hoofdthema:

Zo spreekt de Schrift, zo zong Koning David, zong 't in de 55e psalm.
Een, die geloofde en leed in 't hart droeg, vormde daarvan een lied, ter vertroosting van allen.
rje 20000109