Francis Poulenc

Achtergrond

De muziek van Francis Poulenc (1899 - 1963) wordt gekenmerkt door twee karakters. Enerzijds is er een aanstekelijke vrolijkheid. Vaak klinken de straat, het circus en de music-hall mee in zijn muziek, die grappig en vulgair maar ook elegant en sensueel kan zijn. De andere Poulenc is er een van een vrome ernst.

De musicoloog Ilande Rostand zei het aldus: "In Poulenc wonen twee zielen - die van een monnik en die van een kwajongen". Zijn inspiratie is primair melodisch/vocaal: hij beschouwde zichzelf vooral als liedcomponist. Daarbij zijn harmonieën een belangrijk element in zijn stijl: van mierzoet tot provocerend dissonant en vaak close-harmony, maar zeer herkenbaar.

Satie en Stravinsky waren grote voorbeelden, evenals diverse meesters uit de renaissance en de barok, die zijn neoklassieke stijl bepalen.

In de late jaren '30 bleek Poulenc plotseling een componist van een veel grotere ernst dan velen hadden verwacht. Van grote artistieke invloed werden zijn samenwerking met de dichter Paul Eluard en met de zanger Pierre Barnac die in 1935 ontstond.
De dreiging van de tweede wereldoorlog viel samen met een grote persoonlijke crisis, waarbij de dood van een intieme vriend door een auto-ongeluk (1936) hem enorm aangreep.

Poulenc maakte een pelgrimstocht naar Rocamadour waar het beeld van de Zwarte Maagd wordt vereerd. Hij had daar een mystieke ervaring, en schreef vervolgens zijn Trois Litanies à la Vierge Noire de Rocamadour (1936). De Quatre motets pour un temps de pénitence (1938-'39) sluiten de reeks koorwerken af die daarop volgde.

Het Stabat Mater (1950) stamt uit een latere periode. Aanleiding tot de compositie was de dood van een vriend, Christian Bérnard. Een Requiem leek Poulenc een te grootse onderneming, daarom koos hij de middeleeuwse Stabat Mater tekst. Uit een inscriptie voor in de partituur blijkt dat Poulenc het zieleheil van zijn gestorven vriend toevertrouwt aan Notre-Dame de Rocamadour.

Overigens bleef naast deze religieuze Poulenc het frivole enfant terrible onverminderd aktief. Zo componeerde hij vlak voor het Stabat Mater zijn eerste opera, Les Mamelles de Tirésias (1947). Een burlesque vertelling, waarin Thérèse haar blouse opent, en haar borsten (een rode en een blauwe ballon) de lucht in laat vliegen. Deze worden met een lucifer tot knallen gebracht en Thérèse is Thirésias geworden. Het loopt nog goed af en de Fransen worden tot slot aangespoord om zich meer voort te planten.

Stabat Mater

 I
II
III
IV
V
VI
VII
VIII
IX
X
XI
XII
Stabat mater dolorosa
Cujus animam gementem
O quam tristis
Quae moerebat
Quis est homo
Vidit suum
Eja mater
Fae ut ardeat
Sancta mater
Fac ut portem
Inflammatus et accensus
Quando corpus

De Stabat Mater tekst is geschreven in de 13e eeuw en wordt vaak toegeschreven aan Jacopo da Todi, een Franciscaner monnik. De rol van Maria in deze tekst als Mater dolorosa - een individuele, menselijke, lijdende moeder is typerend voor de Mariaverering zoals deze in de late middeleeuwen ontstond. Daarvòòr was Maria een veel objectievere, niet-persoonlijke figuur als Moeder van de Verlosser of als Hemelkoningin.

Het Stabat Mater behoorde, net als het beroemde Dies Irae, tot een nieuw genre tekst en muziek, de zogenaamde sequens, waarvan er na een grote bloeiperiode in de late middeleeuwen na het Consilie van Trente (1545-1563) maar 4 in gebruik bleven. De rest werd afgeschaft. Het Stabat Mater werd pas in 1727 officieel opgenomen in de Roomse liturgie. Men spreekt dan over het Feest van de Zeven Smarten van Maria.

De Latijnse tekst volgt een eenvoudig rijmschema AAC BBC DDF EEF enz. Het beeld dat het hele gedicht bepaalt is de wenende moeder naast het kruis waar Christus stervende is. Niet alleen de smart van Maria, maar ook het fysieke lijden van Christus wordt bezongen. De dichter spreekt ook de toeschouwer aan om mede te lijden en vraagt als de ik-persoon zelf aan Maria om hem met de wonden van Christus te doorwonden. Dit alles om niet te branden in de hel, maar het paradijs te verwerven.

Poulenc splitst net als Pergolesi de tekst op in 12 sekties. De ritmiek is ontstaan uit het ritme van de taal. Elk deel heeft zijn kenmerkende versvoeten. De klemtonen doen soms vreemd aan, maar passen uitstekend in de Franse uitspraak van het Latijn. Zo sluit het werk af met het A-mèn, waar wij Á-men zouden verwachten. Door de vijfstemmige zetting is de koorklank harmonisch zeer rijk.

Quatre motets pour un temps de pénitence

 I
II
III
IV
Timor et tremor venerunt super me.
Vinea mea electa
Tenebrae factae sunt
Tristis est anima mea

De Quatre motets pour un temps de pénitence maken gebruik van traditionele Latijnse tekst uit de liturgie van de heilige Week. Alleen het tweede deel behoeft een korte toelichting.

Vinea mea electa gaat over de pijnlijke vraag van Christus naar het waarom van zijn lot vergeleken met dat van Barrabas. Daarbij is de wijnstok de bijbelse metafoor voor het volle Israël.

De muziek maakt veel gebruik van dissonanten: voor een deel is dat tekstuitbeelding, maar ze worden vaak gebruikt om een rijke resonans te verkrijgen.

991121 rje