die Erste Walpurgisnacht

Korte inhoud

De donkere middeleeuwen. Het Christendom rukt op. De nieuwe religie verdringt het oude geloof. Alle oude gebruiken zijn vanaf dat moment verboden. Je bent ineens een heiden en je leven staat op het spel als je je niet wilt aanpassen. Wat moet je doen? Meegaan met de nieuwe tijdsgeest of je verzetten?

Het wordt lente. De priesters van het oude geloof, de druïden, roepen toch op om de lente te vieren op de oude wijze: met een groot vuur op de berg ter ere van Wodan. Het is nu of nooit meer!

De vrouwen protesteren. Zij zijn bang voor nog meer bloedvergieten. De mannen laten zich overhalen en treffen in het geheim voorbereidingen op de berg. En om die suffe christenen een lesje te leren willen ze hen eens goed angst aanjagen.

Die nacht trekken ze verkleed met veel lawaai en met fakkels op naar de grote vuurstapel op de berg. De christelijke wachters verlaten in paniek hun post. Ze denken dat de duivel in eigen persoon hen op de hielen zit.

Zo zegeviert op die avond het vuur en het licht van het oude geloof en is de eerste Walpurgisnacht geboren.

Walpurgisnacht

De Walpurgisnacht is in de literatuur op vele manieren beschreven en is het meest bekend als scène in Goethes Faust. Waar komt in de literatuur de fascinatie met deze nacht vandaan en wat is de Walpurgisnacht?

De oorsprong van Walpurgisnacht ligt in feesten in de Germaanse oudheid die zich richtten op vruchtbaarheid en op de dunne scheidslijn tussen leven en dood. Deze feesten vonden plaats in enkele pre-christelijke tradities op de vooravond van 1 mei. De noordelijke Germanen eerden op deze dag Freyr en Freya. Beiden staan hier voor vruchtbaarheid en liefde.
De Vikingen herdachten in deze nacht het offer van Odin (Wodan) waarmee hij toegang kreeg tot de geheimen van de runen der wijsheid. De Vikingen ontstaken vuren om kwade geesten op een afstand te houden.

Vanwege de uiteenlopende tradities heeft het feest diverse betekenissen en functies. Eén van deze tradities is Beltane, een Keltisch voorjaarsfeest. Beltane is de viering van de eenwording van God en Godin. Met hun heilige huwelijk brengen zij de gift van leven. Traditioneel was Beltane een seksueel getint feest waar de jonge vrouwen het hof werd gemaakt door de jonge mannen en zich vrijwillig lieten ontmaagden als offer aan de Godin. Later werd de viering rond de meipaal (meiboom) een centraal thema. De meiboom was meestal een berk of een spar van 2,5 meter lengte. Deze werd op een open plek in de grond gezet, bijvoorbeeld op het dorpsplein. De meiboom werd versierd met bloemen en groene takken. Aan de meiboom werden vaak touwen (of linten) bevestigd. Iedere deelnemer aan de meidans hield één touw vast en danste in cirkels rond de meiboom. In vroeger tijden werd rond het middaguur, als het zonneoog van Odin hoog aan de hemel stond, een paardenrace gehouden, waarbij de jonge man die het eerst bij de meiboom aankwam had gewonnen en mocht huwen met de meimaagd, het mooiste meisje van de streek. Voordat het christendom de macht overnam bedreven de meikoning en de meikoningin de liefde in het openbaar onder de meiboom. Daarbij aangemoedigd en opgezweept door alle omstanders. (Toen de Christenen de macht overnamen, werd dit verboden.) Voor één jaar bleef dit paar bij elkaar en zorgde voor vruchtbaarheid en harmonie.

De Walpurgisnacht dankt haar naam aan de christelijke heilige Walburga of Walburgis, wat in het Hoogduits Walpurgis werd. Walburga werd in 710 geboren in Zuid-Engeland en was een nichtje van Bonifatius. Samen met haar broers reisde ze naar Württemberg in Duitsland om de bevolking daar te kerstenen. Hier werd ze non in het klooster van Heidenheim. Na haar dood in 779 werd ze al snel heilig verklaard. Walburga is in de katholieke traditie de patrones van de boeren, de zeevarenden en de huisdieren. Ook werd zij aangeroepen tegen beten van hondsdolle huisdieren. Zij was in de vroege middeleeuwen met name in Duitsland en de Nederlanden een relatief populaire heilige. De functies van de vroegere godin Freya werden aan Walburga toegeschreven, en zo werd Walburga's naam aan het meifeest verbonden om het een christelijk karakter te geven.

Door de kerstening verschoof de betekenis van de Walpurgisnacht geleidelijk en kwam de heksensabbath centraal te staan. Tijdens deze Walpurgisnacht komen de van de aarde verbannen heksen uit alle hoeken en gaten tevoorschijn om op bezemstelen, kattenstaarten, rieken, dorsvlegels of ongeacht welk ander vervoermiddel dat ze onderweg aantreffen door de lucht te suizen, geïrriteerd door de zinnelijke reinheid van Walpurga. Onder het motto ‘Fahr hin, nach dem Blocksberg steht mein Sinn’ vliegen ze naar de top van de Brocken (Blocksberg) in het Harzgebergte voor een heksenbal met de daar verzamelde duivels en demonen. Op deze berg staat eveneens het voor-christelijke Heksenaltaar. Op veel plaatsen in de Duitse Harz wordt tegenwoordig het Walpurgisfeest nog gevierd. Aan huizen en andere bouwwerken worden duivels en heksen opgehangen. Mensen lopen als heks verkleed over straat en sarren de voorbijgangers met een bezem.

Achtergrond

‘Die erste Walpurgisnacht’ is een ballade van Johann Wolfgang von Goethe uit mei 1799. Hij werd later op muziek gezet door Felix Mendelssohn Bartholdy in de vorm van een wereldlijke cantate voor solisten, koor en orkest.

Het was van het begin af aan Goethes bedoeling, dat zijn ballade als koorcantate op muziek gezet zou worden. Als componist had hij zijn vriend Carl Friedrich Zelter op het oog. Toen die echter de tekst voor het eerst las, moet hij verzucht hebben: ‘Wie dat op muziek wil zetten, moet eerst de oude afgedragen cantate-uniform afleggen!’ Bovendien kon hij ‘de sfeer niet vinden, die het hele werk beheerst.’ en liet het rusten. Jaren later gaf hij het aan zijn leerling Felix Mendelssohn Bartholdy. Die had met de Midzomernachtsdroom al bewezen een meester van deze sfeer te zijn. Bovendien werd Mendelssohn door Goethe zeer gewaardeerd, sinds hij als twaalfjarig wonderkind in 1821 diverse keren bij de grote dichter had mogen voorspelen. (Zij zouden elkaar tot Goethes dood vaker ontmoeten.)

In 1830/31 reisde Mendelssohn door Zwitserland en Italië. Vanuit Rome schreef hij Goethe: “Wat mij sinds een paar weken bijna uitsluitend bezighoudt, is de muziek bij het gedicht van Uwe Excellentie, dat de eerste Walpurgisnacht heet. Ik wil het met orkestbegeleiding als een soort grote cantate componeren. … ik weet niet of het me zal lukken, maar ik voel hoe groot de opdracht is en met hoeveel beheerstheid en respect ik het ter hand moet nemen.” Hij vroeg bij Goethe na welke intenties deze met het stuk verbond en kreeg ondermeer dit antwoord:

“Beste zoon, … de intentie is hoogsymbolisch in de ware zin van het woord; want in de wereldgeschiedenis is het onvermijdelijk dat een oud, gevestigd, beproefd en rustgevend gebruik door opkomende vernieuwingen in het nauw gebracht, van zijn plaats verdreven en verdraaid wordt, en als het al niet uitgeroeid wordt, dan wordt het toch zoveel mogelijk ingeperkt.”

Goethe betuigt in het vrolijk fantastische gedicht zijn sympathie met het heidendom. Een verbod van daarin wortelende oude tradities past niet in het wereldbeeld van de ruimdenkende Goethe. Tegelijkertijd ironiseert hij het geloof in spoken in de Walpurgisnacht. Een Germaanse volksstam, die door zijn chistelijke onderdrukkers onderworpen is, wil in de geheimzinnigheid van de nacht het oude gebruik van de druïdencultus, het lentefeest, vieren. Om de christelijke wachters te misleiden en schrik aan te jagen vermommen de feestgangers zich en maken een duivels kabaal. De wachters denken dat de hel is losgebroken en vluchten. Dat is de ‘eerste Walpurgisnacht’, waaraan het geloof in de spookverschijningen van heksen en duivels in de meinacht kan worden toegeschreven, wat zich sindsdien elk jaar herhaalt.

Het werk weerklonk voor het eerst in het ouderlijk huis van Mendelssohn in de herfst van 1832. De openbare première volgde op 10 januari 1833 in de Sing-Akademie in Berlijn. De leiding had de componist zelf.

Tien jaar later, in 1842/43, herzag Mendelssohn zijn werk grondig. Deze tweede versie ging op 2 februari 1843 in het Gewandhaus in Leipzig in première. Ook dit keer werd het werk door de componist zelf ingestudeerd en geleid. Tot de toehoorders behoorden Robert Schumann en Hector Berlioz, die zich heel enthousiast over het werk uitliet (en een paar jaar later La Damnation de Faust componeerde!): “Je weet niet wat je er het meest in moet bewonderen - een waar meesterwerk!”

In deze tweede versie wordt het werk vandaag de dag gewoonlijk uitgevoerd.

Cas Jönsthövel

120109